Reizen is niet alleen maar zon, zee, strand, mooie bezienswaardigheden, lekker eten. Reizen is ook leren over de vreselijke geschiedenis van het land, met bussen over de slechtste wegen rijden naar de volgende bestemming, cultuur verschillen ontdekken die je niet per se begrijpt, en nieuwe bacteriën battelen. Reizen is heel veel moois, maar soms ook even niet.

Voor wie enkel en alleen de foto’s op Instagram of Facebook bekijkt lijkt onze reis behoorlijk perfect. Mooie uitzichten, vele dagen zon, strand foto tussen door. Perfect. Natuurlijk zien jullie alleen wat wij willen laten zien, en natuurlijk is niks leuker dan de allermooiste momenten delen. Wie ook echt mijn stukken leest en Julia haar vlogs kijkt, krijgt ook wat mee over de minder fantastische momenten. Regen, doktersbezoekjes, lange reizen, vulkaan die op uitbarsten staat. Tijdens onze reis zijn we het in elk land wel op een manier tegengekomen. Geen regenboog zonder regen; maar nog nergens werd dat zo duidelijk als in Cambodja.Niet dat in Cambodja regende hoor, de ironie is, volgens mij heeft het geen één dag geregend. Cambodja is een land waarin we “regen” hadden in de vorm van vooroordelen, heftige landgeschiedenis, en voedselvergiftiging.

Onze eerste bestemming was Phnom Penh, de hoofdstad van Cambodja. Ons hostel adviseert ons goed op onze tas te passen, en niet met onze telefoon in ons hand over straat te lopen. Onze lieve kamergenoot vertelt ons wat over de stad en raadt wat leuke plekjes aan. Als we de deur uit gaan zegt hij “goed op jezelf letten jullie, niet met vreemde praten!”. Ook de tuktuk chauffeur zegt dat we onze tassen goed moeten vast houden en niet los in de wagen neer moeten zetten. Nog nergens in Zuid-Oost Azië heb ik me onveilig gevoeld, maar ik betrap mezelf er op dat ik hier in de straten van Phnom Penh, wat onrustiger om me heen kijk. Als ik het er met Julia over heb komen we tot dezelfde conclusie: het is hier hoogstwaarschijnlijk niks onveiliger dan in al die andere grote drukke steden waar we zijn geweest, het zijn de waarschuwingen die ons bang maken. Omdat we zelf nog weinig tot niets wisten over de stad die we zouden verkennen, baseerde we onze houding naar de stad al veel te vroeg op enkel het oordeel van anderen. We schudden het van ons af en besluiten de stad met frisse blik te ontdekken.

We bezoeken Wat Phnom, een tempel op een soort gigantische rotonde. Bij de ingang van de tempel staat een jongetje in een paarse voetbal outfit. Ondeugend kijkt hij naar de schoenen om zich heen, en afwachtend blijf ik op een klein afstandje staan kijken. Wat toeristen trekken hun schoenen uit om de tempel te betreden, en zodra ze de deuropening door zijn duikt het jongetje op de schoenen af. Een beetje geschrokken volg ik de jongen met m’n ogen; al snel zie ik dat hij de schoenen niet probeert te stelen, maar verplaatst tot een georganiseerde rij naast de tempelingang. Binnen een paar seconde staan de 5 paar schoenen die eerst de ingang van de tempel blokkeerde netjes met linker en rechter schoen achter elkaar te wachten tot de toeristen terug komen.

Als ze terugkomen staan ze verbaasd te kijken naar de locatie van hun schoenen. In hun ogen zie ik toch ook een klein beetje schaamte dat ze hun schoenen niet zelf netjes aan de kant hebben gezet. Één vrouw heeft door dat de schoenen niet op magische wijze zijn verplaatst, en stopt het jongetje twee snoepjes toe. Niet heel veel later komt de tempelbewaker om het hoekje kijken, en sprint het jongetje weg om iets verderop de snoepjes te delen met z’n vriend.

 

De tweede dag in Phnom Penh bezoeken we het Tuol-Sleng Museum (ook wel S21), en (Choeung Ek) de Killing fields. Het Tuol-Sleng museum was tijdens de Cambodjaanse oorlog een gevangenis, waarin onschuldige mensen die werden opgepakt voor misdaden zoals opgeleid zijn, of een andere taal spreken, werden vastgehouden. Ook het dragen van een bril, wat gerelateerd werd aan slim zijn, was een ticket naar de gevangenis. Via de audio tour leren we dat gevangenen hier zorgvuldig werden gemarteld tot er een valse bekentenis uit kwam. Het is een zeer visueel museum, met vele foto’s, martelgerei, maar ook schedels en botten. Ondanks al het gruwelijke wat er te zien en horen is, voelt het museum heel kalm en rustgevend aan. Het is heel educatief ingesteld, en de binnenplaats is een mooie tuin met vele bankjes. Dezelfde kalme sfeer hangt bij de Killing Fields. Alle bezoekers zijn zich bewust van de vreselijke geschiedenis achter de plek, maar door de stilte en ruimte die iedereen neemt voelt het als een vredige plaats. De velden waar zich vele massagraven schuil houden zijn overgroeit met gras en tientallen vlinders dwarrelen rond.

Het meest indrukwekkende is waarschijnlijk de witte toren midden op het terrein, waarin vele schedels op geslacht, leeftijd, en doodsoorzaak, gesorteerd liggen achter glazen ramen. Beide bezoeken maken duidelijk dat de oorlog een zeer grote impact heeft gehad, wat nog duidelijk zichtbaar is in de ontwikkeling van het land.

We reizen door naar Sihanoukville waar we de boot pakken naar het eiland Koh Rong. Koh Rong is wit strand, perfect blauw water (zonder vissen en zeewier YESS), en een heerlijk zonnetje met palmboompjes voor wat schaduw. Twee heerlijke zorgeloze dagen, waarin ik op geen plek liever zou zijn dan waar ik op dat moment ben. Dag drie begint de voedselvergiftiging. Binnen een paar uur heb ik alles er uit gegooid, loopt m’n lichaam volledig leeg, en kan ik amper nog op m’n beentjes staan. Ik ben in 4 jaar denk ik niet meer zo ziek geweest; we moeten zelfs onze nachtbus naar Siem Reap een dag uitstellen.

Siem Reap is onze laatste bestemming in Cambodja, de stad met HET tempelcomplex van Zuidoost Azië: Angkor Wat. Ik merk dat ik weinig van al het moois mee krijg. Ik zie het wel, maar lijk het niet in me op te nemen. De nasleep van het ziek zijn. Julia zegt heel terecht dat het eigenlijk ook absurd is om van je lichaam te vragen een hele dag door tempels heen te klauteren nadat je een paar dagen amper hebt gegeten en gedronken. Het meeste indruk op me maakt de tuktuk chauffeur vandaag. Als we bij het ticketkantoortje aankomen roept hij “now is the time, it’s now or never” en allerlei variaties daarop. Ik schrik een beetje, bang dat ik hem niet goed begrijp en iets verkeerd doe. Als we met de kaartjes terug de tuktuk instappen komt hij bij ons achterin zitten. Julia en ik kijken elkaar verbaasd aan, dit doen ze normaal nooit. In m’n hoofd bereid ik me al voor op een oplichtingspoging. In plaats daarvan begint hij een gesprek over onze reis, waar we vandaan komen, en vraagt hij ons naar wat we weten van de tempel. Hij verteld op een onwijs leuke manier over de tempels, en blijft ons vragen stellen over wat hij verteld zodat we het ook daadwerkelijk onthouden. Regelmatig vraagt hij of we het nog interessant vinden, en of we meer willen weten. Hij legt uit dat hij blij is dat we zo enthousiast naar hem luisteren, en dat dat niet altijd het geval is. Zeker een paar jaar terug, en zeker vanwege de cultuurverschillen en vrouwelijke toeristen, blijft het altijd een dingetje. Sommige mensen vinden het vervelend en willen dat hij gewoon zo snel mogelijk doorrijdt naar de bestemming. Hij bedankt ons dat we met hem willen praten, want zo kan hij leren van ons Engels terwijl hij ons leert over de tempels. Al denk ik dat ik meer van hem heb geleerd die dag dan dat hij besefte.

Na amper 10 dagen in Cambodja vertrekken we alweer. Mijn mening over dit land is verdeeld. Ik denk dat om op dit land verliefd te raken, je er langer moet zijn. Het is niet per se een mooi land, de infrastructuur loopt achter, het is rommelig, en ook de geschiedenis is niet mooi. Het meest indrukwekkende van het land zijn niet per se de bezienswaardigheden maar de ervaringen op die plekken, en de mensen die je er leert kennen. In beeldspraak was Cambodja voor ons een land van veel regen. Maar naar mijn mening maken de minder leuke dingen, de hoogtepunten alleen maar mooier; zelfs uit de minder vrolijke dingen is altijd wel iets positiefs te halen. Geen regenboog zonder regen; en als het dan regent, dan kunnen we er net zo goed in leren dansen.