Onze reis door Thailand begint in Bangkok, waar we als echte Nederlandse meisjes gaan we voor een fietstour van Co van Kessel, door de kleine bruisende straatjes aan het begin van de koele avond. Na een paar dagen Bangkok reizen we naar Kanchanaburi, en vervolgens richting het Noorden via Ayutthaya en Sukhothai.

In Kanchanaburi genieten we vooral van het nabij gelegen Erawan park. Waar je in de prachtige watervallen een heerlijk verkoelende duik kan nemen. Aangezien we vroeg in de ochtend zijn vertrokken om de ergste hitte voor te zijn is het nog heerlijk rustig, en zo heb ik dus de waterval op laag 5 helemaal voor mezelf. Julia klimt ondertussen door naar de grootste waterval op niveau 7. Terwijl ik zit te kijken naar de vissen die de waterval omhoog proberen te springen twijfel ik of ik niet ook naar de 7e waterval had moeten klimmen, maar al snel besluit ik me dat het me echt gestolen kon worden. De klim was niet zwaar, ik voelde me niet moe, de hitte was uit te houden. Maar ik had veel meer zin in een momentje voor mezelf; heerlijk rustig zwemmen en genieten van mijn omgeving. Voor het eerst besef ik me heel bewust dat ik echt voor mezelf op reis ben, en dat dat betekent dat ik kan gaan en staan waar ik wil; maar ook dat ik niks hoef te doen waar ik geen zin in heb en ook niet hoef te vol doen aan andermans verwachtingen. Of in ieder geval, mijn perceptie van andermans verwachtingen, want als ik naar de top was geklommen was dat enkel en alleen geweest omdat ik dacht dat andere me anders als een zwakkeling, opgever of lui persoon zouden zien. Als Julia terug komt en enthousiast haar foto’s laat zien, merk ik trots op dat ik nog steeds achter mijn besluit sta. De waterval is mooi, maar het voelt niet alsof ik iets heb gemist; in tegenstelling, het voelt alsof wanneer ik wel naar de top was geklommen iets zou hebben gemist, namelijk een wel gewaardeerd momentje voor mezelf, bij een paradijselijk rustgevende waterval.

Ayutthaya herinner ik vooral om de heerlijke smoothies. Sukhothai brengt ons prachtige tempels, stoepas, en ruïnes in het door UNESCO beschermde park.

Met een tuktuk, bus, tuktuk, trein, en nog een tuktuk bereiken we binnen een dag Chiang Mai, het meest noordelijke punt van Thailand op onze route. Chiang Mai heeft niet perse MUST-SEE’s. Zo heeft het enkel één gebouw wat regelmatig wordt bezocht, namelijk de tempel bovenop Doi Suthep; een goud kleurige tempel die je bereikt door een trap van maar liefst 206 treden op te lopen. De tempel is voor ons na al dat moois in Myanmar niet echt een hoogtepunt, het uitzicht is daarentegen wel gaaf. Chiang Mai is dus geen stad van de MUST-SEE maar zeer zeker wel van de MUST-DO! Na tientallen foldertjes te hebben bekeken (het aanbod is gigantisch), besluiten we te  gaan we voor een dag olifanten knuffelen, een kookcursus, een dag quad rijden door de bergen, en een dag klimmen en klauteren in een gigantisch waterpark!

Je kan natuurlijk niet naar het noorden van Thailand gaan en dan geen olifanten bezoeken. Iedereen die terug komt uit Thailand is vast en zeker eigenaar geworden van zo’n toffe hippie broek met print; en waar ze die ook hebben weten te krijgen, er staan gegarandeerd olifanten op. Olifanten zijn gewoon iconisch hier, maar ook als ze dat niet waren geweest had ik sowieso mijn kans gegrepen om deze prachtige gigantische dieren van heel dicht bij te bekijken. We kiezen voor een dag bij Into The Wild – Elephant camp, een kamp waar drie opvang olifanten vrij rondlopen, nadat ze gered zijn van toeristische attracties waar op ze werd gereden. Hoe leuk het ook is, en hoe groot en sterk de olifanten ook lijken; op hun rug rijden is gewoon niet goed voor ze. Bij het kiezen voor de juiste plek hebben we dus ook goed gekeken naar de ethische gedachte achter de plek, en vele recensies gelezen over hoe de olifanten worden behandeld. Eenmaal daar aangekomen krijgen we een uitleg over waar de olifanten vandaan zijn gekomen, en hoe belangrijk het is dat de toeristen naar dit soort kampen komen, zodat met het geld dat wij neerleggen weer nieuwe olifanten gered kunnen worden. En dat de olifanten het naar hun zin hebben hier in het kamp is overduidelijk; de drie geredde olifanten hebben samen twee baby olifantjes gekregen; de jongste nog maar 4 maanden oud (smelt). De olifanten lopen vrij rond en zijn vrij om te gaan en staan waar ze willen. Slim als ze zijn kennen ze de hele routine uit hun hoofd; als ze ons naar de bananen-opslagplaats zien lopen staan ze binnen no-time voor de deur. Ook als de bananen op zijn weten ze dat ze vrij zijn om de jungle in te wandelen, waar wij ze naar toe volgen om te zien wat ze van nature eten. We hangen een beetje rond in de jungle tot dat de olifanten besluiten dat ze wel weer genoeg bomen omver hebben geduwd voor vandaag.

Na onze eigen lunch leren we welke natuurlijke planten dienen als medicijnen om de olifantjes gezond te houden. Oh en dat mogen we ze ook nog eens voeren; dit kunnen ze niet vast houden met hun slurf, dus de bedoeling is dat je de volledige bal recht hun mond in mikt. Olifanten hebben een grote mond, oprecht. Vervolgens is het tijd voor het modderen; het modder beschermt ze tegen de zon en alle gekke insecten. De kleine olifant vind het maar een smeerboel en kijkt vanaf een afstandje toe. Hoe jammer ik het ook vind dat ik niet met dat kleine lieve olifantje in de modder kan spelen,  ik ben eigenlijk onwijs blij dat niemand haar hier toe forceert. Natuurlijk is het daarna ook tijd om de grote modder klonten van ons af te spoelen, en dat doen we al zwemmend in de rivier. De olifanten zijn onwijs groot en indrukwekkend, maar nog veel meer wanneer ze naast je zwemmen, en je geen idee hebt waar ze die grote sterke benen gaan planten… Gelukkig komen we er ongeplet uit, en voor we het weten is onze volle dag olifantenfun alweer voorbij.

Een andere echt lokale ervaring is het proeven van de Thaise keuken; of nog beter, leren hoe je al die gerechten maakt (en smokkelen met de pittige ingrediënten, want no thanks ik hou alles wat smaakt als vuur liever buiten m’n mond). Vol trots leer ik mijn favoriete maaltijd koken; Stir fried chicken with cashew. Het is nog makkelijker dan ik al dacht, groenten, kip, beetje vissaus, beetje pittig, een paar cashews en ohja een paar lepels suiker. Echt alles wat je hier kan eten of drinken heeft suiker, en ook niet zo’n klein beetje. Ik ben een zoetekauw, maar dit gaat echt te ver… Een gezond vruchtensapje? Daar gaat een halve beker opgeloste suiker in. Brood? Dat maken ze zo zoet dat je geen beleg meer nodig hebt. Chocolade? Daarin vervangen ze gewoon de helft van de cacao voor suiker. En dus de saus voor welk gerecht dan ook bevat een lepel of twee aan suiker. Hoe dan ook, mijn favoriete maaltijd kan ik dus ook thuis nog van genieten, of gedurende m’n hele studenten tijd.

De dag erop genieten we van de prachtige natuur in Chiang Mai, al rijdend op een quad. Gas open en gaan, door alle modderpaadjes, over boomstammen heen, en over heuvelige kiezelwegen naar de top. Of naja bijna naar de top, want ineens besluit onze gids dat halverwege het einde is van de tour. “Maar als jullie willen kunnen we nog wel helemaal naar top, dat is nog eens $5 meer per persoon. Niet tegen de mensen bij het kantoortje zeggen hoor, dat is niet goed voor me, we mogen er niet heen met de quads. Betaal me maar als we terug zijn bij het busje..” Ja ja… We gaan naar boven, en besluiten bij het kantoor beneden nog maar eens te vragen wat er precies in de tour zat inbegrepen. Helemaal naar de top dus, zoals het uitzicht op het plaatje in de brochure.. Hey Kees van der Spek als je tijd hebt, misschien eens langs met je programma Opgelicht in het Buitenland? We betalen dus niet de extra kosten, en genieten van het prachtige uitzicht boven aan de berg!

De laatste dag in Chiang Mai spenderen we in de Grand Canyon! Huh? Dat is toch in Arizona, USA? Ja klopt, maar Chiang Mai heeft ook een Grand Canyon. Iets minder “grand” misschien, maar nog steeds onwijs leuk om te bezoeken, want in die Grand Canyon van Chiang Mai ligt een onwijs leuk waterpark, waar we uren lang glibberen, glijden, klimmen en zwemmen! Oh en vliegen niet te vergeten, via een grote hoge trampoline lanceer ik mezelf in de lucht, enkele seconde voordat ik recht naar beneden kom; plons het water in. Maar niet voor lang, want een paar uur later ben ik bezig met het pakken van mijn tas om opnieuw te vliegen. Dit keer niet met een trampoline, maar met een vliegtuig; op weg naar Vietnam. De landing ditmaal ook geen plons in het water, maar gelukkig gewoon met de bandjes op de landingsbaan in Hanoi.